Reactie van de Taaladviesdienst van Onze Taal
De ontwikkeling van het gebruik van mannelijke dan wel vrouwelijke woorden voor personen die een bepaalde functie uitoefenen, is complex, maar vertoont wel een duidelijke tendens. Kort gezegd is het in het Nederlands al vrij lang gebruikelijk om geen exclusief vrouwelijke woorden te gebruiken als de mannelijke vorm als neutraler wordt ervaren. Deels wordt dat bewust gedaan, deels ook onbewust.
Het vaakst krijgen we vragen over beroepsnamen: moet er bij een vrouw een expliciet vrouwelijke vorm worden gebruikt of niet? Over het algemeen antwoorden we dat dat niet hoeft: sprekers van het Nederlands lijken de nadruk te leggen op de functie, niet op de persoon die die functie uitvoert, en voor de meeste functies volstaat één vorm. Dat is doorgaans de van oorsprong mannelijke, maar die kunnen we tegenwoordig als geslachtsneutraal ('genderneutraal'

beschouwen. Wij hebben mede daarom bijvoorbeeld besloten in het Witte Boekje (2006) geen 'm' of 'v' meer te vermelden bij woorden die personen aanduiden; andere spellinggidsen en woordenboeken doen dat nog wel. De context bepaalt het geslacht van de bedoelde persoon, het woord zelf niet meer.
We hebben ook al eens de geschiedenis bekeken die tot deze ontwikkeling heeft geleid. Er zijn verschillende oorzaken voor het verdwijnen van veel vrouwelijke functieaanduidingen. De feministische beweging van de jaren zestig en zeventig zal er zeker aan bijgedragen hebben; sindsdien 'vervrouwelijkt' de maatschappij voortdurend, maar in ons taalgebied blijkt dat zo uit te pakken dat de oorspronkelijke beroepsaanduidingen hun exclusief mannelijke karakter verliezen, terwijl in bijvoorbeeld het Duits juist de vrouwelijke nevenvormen opgang maken. Politieke correctheid kan een oorzaak van beide tegengestelde ontwikkelingen zijn: ze drukken allebei de gelijkwaardigheid van man en vrouw uit. Waarom dat in het Nederlands tot vormgelijkheid leidt en in het Duits juist niet, is raadselachtig. Het lijkt ons niet onmogelijk dat dat ook te maken heeft met een algemene ontwikkeling die zich in het Nederlands al eeuwen voordoet, namelijk dat mannelijk en vrouwelijk steeds vaker 'op één hoop gegooid worden'; kijk bijvoorbeeld naar de woordgeslachten: veel woorden zijn niet meer exclusief mannelijk of vrouwelijk, terwijl ze dat vroeger wel waren. Het Engels vertoont die ontwikkeling al een stuk langer; de meeste andere talen maken juist traditioneel strikt onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk.
Het Nederlands kent sowieso een aanzienlijke groep beroepsaanduidingen die ook grammaticaal niet exclusief mannelijk zijn, zoals 'arts', 'verpleegkundige' en 'taalkundige'. Er is maar een kleine groep beroepen waarbij mensen altijd de behoefte voelen het verschil tussen man en vrouw uit te drukken, en dat zijn altijd creatieve, sportieve en sterk aan de persoon verbonden beroepen: 'zanger' en 'zangeres', 'acteur' en 'actrice', 'zwemmer' en 'zwemster', 'koning' en 'koningin'. Die vervullen een rol die sterk van hun individualiteit afhangt, niet een vacature die op zaterdag in de krant staat. We zullen het dus ook in de toekomst nooit gaan hebben over 'koning Máxima en zijn dochters'.
Behalve bij beroepsnamen speelt het probleem ook bij verwijswoorden. Moet je altijd 'hij/zij' en 'zijn/haar' gebruiken als het over personen in het algemeen gaat, zoals in 'De gemiddelde Nederlander is gehecht aan zijn/haar auto'? Het zou wel politiek correct overkomen, maar tegelijk geforceerd, onnatuurlijk en houterig. Het breekt de zin en het strookt niet met de gesproken taal, waarin dat soort dubbele verwijzingen vrijwel niet voorkomen. Bovendien zijn er weinig mensen die over het gebruik van 'zijn' in dit soort zinnen vallen. Wel worden 'hij' en 'zijn' meer als mannelijk ervaren dan beroepsaanduidingen als 'directeur' en 'ondernemer'.
Taaladviesdienst Onze Taal
http://www.onzetaal.nl/advies/coord.php